HET ANTWOORD VAN RAMSEY NASR
Mijn vader is geboren in Nablus, op de Westelijke Jordaanoever. Het is een prachtige historische stad, die ik een paar maal heb bezocht. Op zekere dag werd ik rondgeleid in een van de zeepfabrieken van Nablus. In een grote hal lagen duizenden witte blokjes opeengestapeld in cirkels. Laag op laag vormden ze metershoge witte zuilen van zeep, als schoorsteenpijpen of een of andere kunstinstallatie.
Maar dan wel een kunstinstallatie van duizend jaar oud, want zo lang bestaat deze traditie daar al, sinds de 10de eeuw. De zeepindustrie van Nablus is wereldberoemd. As-saboen an-Naboelsi wordt weleens gezien als de beste zeep ter wereld, gemaakt van olijfolie, water en loog. Dertig fabrieken kende de stad. Vandaag zijn er nog maar twee. Vele zijn verwoest door Israël, en de bezetting maakt de export vrijwel onmogelijk.
Ik stond daar, en de vloer vóór mij bestond uit zeep, betegeld met helderwitte blokjes. De Palestijn die me rondleidde was een sympathieke man met een enorme snor. Hij stond aan de overkant van de zeepvloer. ‘Come’, zei hij. Ik durfde niet, vond het lomp er zomaar overheen te lopen.
‘Don’t worry, Ramsey’, echode de hal, ‘It is soap – it will clean itself.’
Ik moest daar ongelooflijk om lachen, maar ik ben die zin nooit vergeten, en die dag evenmin. Het was zo mooi, zo rustgevend: die vloer, de schoorsteenpijpen, als een levende geschiedenis die zichzelf wel zou reinigen en verversen als je het de kans gaf.
Olijvenzeep werd voor mij een symbool van de Palestijnse cultuur.
Maar wat te doen met een leven dat telkens weer vervuild wordt, bezoedeld, verminkt, gebroken, aangerand?
Als zeep zichzelf reinigt, wat doet bezetting dan?
De stad Jenin staat bekend als de hoofdstad van het Palestijnse verzet. Hij ligt in het noorden van de Westelijke Jordaanoever en al wekenlang voert het Israëlische leger monsterlijke aanvallen uit op deze stad. Dat doet het al decennia, maar wat nu gebeurt wordt de zwaarste aanval sinds 1967 genoemd.
Ze begonnen ermee één dag nadat het staakt-het-vuren in Gaza was ingegaan. Terwijl het Westen verrukt was, zetten de Israëliërs hun verwoesting voort op de Westoever. De Israëlische minister van Defensie liet zelfs expliciet weten dat Israël in Jenin de lessen ging toepassen die het in Gaza geleerd had.
En inderdaad: het vluchtelingenkamp is inmiddels volledig verwoest. Weg. Alle twintigduizend kampbewoners zijn nu verdreven. Met bulldozers die zijn omgebouwd tot apocalyptische tanks worden de wegen vernietigd in Jenin, maar ook in andere steden op de Westoever, zodat niets en niemand van A naar B kan.
Ook in andere opzichten is Jenin het nieuwe Gaza: journalisten vormen een doelwit voor het leger, ambulances worden tegengehouden zodat ze gewonden niet kunnen bereiken, en kort geleden werd een 2-jarig kind door het hoofd geschoten door een sluipschutter terwijl ze met haar familie aan het eten was.
Waarom? Omdat het kan. Israël zegt dat het het verzet wil breken. Ik zie vooral dat het weefsel van een samenleving, een cultuur, wordt geannihileerd. Totale vernietiging.
Dit roept de vraag op: wat verstaat Israël eigenlijk onder verzet?
In elk geval dit: vluchtelingschap. Toen in 1948 tijdens de Nakba 750 duizend Palestijnen uit hun huizen werden verdreven in wat nu Israël heet, vluchtten duizenden van hen naar Jenin. In 1953 werd het officieel een VN-vluchtelingenkamp. Hier konden ze de terugkeer naar hun huizen afwachten.
Die terugkeer kwam nooit. Het vluchtelingenkamp werd een stad – met uitzicht op de bezette dorpen in Israël. Bewoners gingen soms de heuvels in om naar hun huizen en landerijen te kijken. Hun nakomelingen doen dat nog steeds.
Jenin werd een symbool van ballingschap en weerstand. Bij volksopstanden tegen de bezetting speelde de stad vaak een rol. Om die reden is Jenin telkens weer deels verwoest, werden vluchtelingenhuizen telkens weer opgeblazen.
Elke poging tot een normaal leven wordt onmogelijk gemaakt: de Israëliërs stellen eindeloze checkpoints op, zetten de burgers op collectief huisarrest. Je kunt er niet bewegen, er heerst grote armoede, uitzichtloosheid. En toch: de mensen zijn onvoorstelbaar gastvrij, ondanks alles wordt er geleefd in Jenin, er zijn scholen opgebouwd, een theater, en er bestaat veel onderlinge hulp. Het is een beschadigde, maar veerkrachtige maatschappij. Jenin herinnert zich zijn bloeiende afkomst.
Sinds millennia staat Jenin bekend om zijn vruchtbare landbouwgrond: het is het gebied van de watermeloen, de druiven, de molokhia, de freekeh en bloemen, veel bloemen. Ook voor het nationale gerecht m’sakhan moet je in Jenin zijn.
Deze veerkracht, dit geheugen moet gebroken worden, dat is het doel – en niet sinds 7 oktober. In juli 2023 zei een geïnterviewd lid van de Jenin-Brigade al: ‘Israël laat ons nooit maar dan ook nooit een andere keuze dan gewapend verzet. Het zal nooit een politieke oplossing op tafel leggen, of een bestand.’
Denk van zo iemand wat je wil, maar Israël is inderdaad niet uit op een bestand. Wel op annexatie.
Vluchtelingen vormen daarbij een obstakel, maar ook een knagende vorm van verzet, omdat ze de bezetter herinneren aan zijn eeuwige misdaad. Israëls eindoplossing is nu de vluchtelingen zélf op te heffen, door enerzijds de grootste vluchtelingenorganisatie UNRWA te bestempelen als terreurgroep en anderzijds de kampen te vernietigen.
Want ook andere vluchtelingenkampen op de Westoever worden momenteel aangevallen. De afgelopen weken werden alle vluchtelingen uit de kampen van Tulkarem, Nur Shams en Tubas verdreven, wat het totaal op veertigduizend brengt. Evenals in vluchtelingenstrook Gaza is Israël hier alles met de grond gelijk aan het maken.
Nogmaals de vraag: wat verstaat de bezetter onder verzet?
In elk geval dit: journalistiek. Op 11 mei 2022 werd in Jenin de journalist Shireen Abu Akleh door het hoofd geschoten terwijl ze verslag deed van een inval in het vluchtelingenkamp. Ze droeg een persvest en was duidelijk als journalist herkenbaar, het was op dat moment rustig, er was geen enkele reden om te schieten – tenzij je graag een beroemde Palestijnse journalist wilt doden. Ook drie andere Palestijnse journalisten werden neergeschoten.
De Israëlische legerwoordvoerder gaf direct na de moord zijn visie op deze journalisten: ‘Ze zijn gewapend met camera’s, als ik dat zo mag zeggen.’
Ja, dan schiet je natuurlijk. Zelfverdediging.
De Brits-Irakese journalist Hind Hassan zei hierover tegen nieuwsorganisatie Middle East Eye: ‘Als Palestijn kun je niet zomaar een journalist zijn. Het feit dat je Palestijn bent, betekent dat je gezien wordt als een politieke entiteit.’
Ik zou verder willen gaan. Als Palestijn kun je niet zomaar een burger zijn, een persoon, een moeder, een zoon. Je bent altijd ook een politieke entiteit.
Dat maakt het door het hoofd schieten van een 2-jarig meisje een stuk begrijpelijker.
Israëls definitie van verzet is deze: iedere Palestijn pleegt intrinsiek verzet, door zijn of haar aanwezigheid. Door te bestaan.
In zo’n wereld worden context, nuance, twijfel en empathie vanzelf gelijkgesteld aan terreur, aangezien zij ons wijzen op dat bestaan. Deze week werd in bezet Oost-Jeruzalem een inval gedaan in een beroemde Palestijnse boekhandel. De Educational Bookshop is al decennia een begrip onder journalisten, diplomaten, studenten en reizigers. Iedereen die zich wil verdiepen in Palestina, Israël of het Midden-Oosten kan er terecht. The New York Times noemt de boekwinkel ‘een hoeksteen van de culturele gemeenschap’.
De Israëlische politie pakte zondag de eigenaren op en zette hen gevangen, ‘verdacht van het verkopen van boeken die opruiende inhoud en’ – aah, voilà – ‘steun voor terreur bevatten’. Twee undercoveragenten stopten elk boek waarop een Palestijnse vlag of het woord ‘Palestine’ te zien was in vuilniszakken.
Wat hier gebeurt is dit. In het geval van een bezetting telt slechts de definitie van de bezetter. Die definiëring gaat niet over grote woorden als vrijheid of gelijke rechten. Een bezetting betekent simpelweg dat de basisonderdelen van het leven, zoals het wonen in een huis, het oogsten van olijven, het volgen van onderwijs, het bezitten van een vlag, het eten van een watermeloen, het lezen van een boek of krant en het maken van zeep geschaard worden onder verzet. De basis moet worden bestraft, om te laten zien wie de baas is.Zo genereer je vanzelf het echte verzet. Bezetting werkt als een perpetuum mobile.
Nog maar een vraag: hoe groot is de kans dat jij als puber in Jenin niet met stenen zou gooien naar de tanks? En zelfs al zou je dat niet doen – het zou niets veranderen aan je situatie. Wij denken graag dat Palestijnen een soort politieke dieren zijn, dat ze daarvoor kiezen. Maar ik ken veel Palestijnen – eigenlijk alleen maar – die gewoon willen slapen, hun eigen gang willen gaan, niet langer gekweld door politiek of beslissingen die door anderen voor hen worden genomen. Ze willen van huis naar school kunnen lopen zonder te worden aangehouden of neergeschoten.
De bottomline is dit: er is geen manier waarop een Palestijn géén verzet kan plegen, omdat er geen manier is waarop Israël een Palestijn in Palestina zijn eigen leven zal laten leiden, minding his or her own business.
Vorige week bezocht ik fotomuseum Foam in Amsterdam, waar de opening van Yawm al-Firak plaatsvond, een tentoonstelling van de Palestijns-Nederlandse Magnum-fotograaf Sakir Khader. De expo is gewijd aan zeven zoons uit Jenin die werden gedood door het Israëlische leger, en hun rouwende moeders.
In een van de zalen zag ik op tv-beelden een paar pubers opscheppen over hun ‘daden van verzet’. Ik vond het moeilijk om die jochies te zien, en niet alleen omdat ze kort na hun interviews werden vermoord. Ik heb het moeilijk omdat ik veel liever minder machismo zie, minder stoere woorden, en ja, minder haat. Maar ik dacht ook: wees clement, Nasr. Hoe zou jij zijn, vernederd en gefrustreerd tot op het bot?
De waarheid is: het maakt niet uit wat ik ervan vind. Mijn morele oordeel is juist het probleem. Wij eisen telkens weer van Palestijnen dat ze zich gedragen zoals wij vinden dat ze zich moeten gedragen – in plaats van hun basisrechten na meer dan 75 jaar te honoreren. Hiermee onderwerpen wij hen ook nog eens aan een bezetting van de geest.
Een staaltje daarvan zagen we afgelopen zomer op de Nederlandse televisie. Sakir Khader was te gast in Zomergasten. Ik kende hem niet persoonlijk, zag hem voor het eerst. En ik had alle reden kritisch te zijn: het is ook een Palestijn, hij is verdomme nog mooi en jong ook – reden genoeg hem een lul te vinden. Maar ik was diep onder de indruk, van zijn grootse kalmte, zijn rustige scherpte, de toon van iemand die niets te verliezen heeft en weet wie hij is.
Voormalig Midden-Oostencorrespondent Joris Luyendijk deed het interview. Op zeker moment liet hij weten dat hij bij Palestijnse journalisten zo vaak het wederhoor mist, de andere kant van het verhaal. Hij vond Khader te betrokken bij zijn onderwerp.
‘Ideaal voor mij zou zijn’, aldus Luyendijk, ‘dat je dus eigenlijk altijd openstaat voor de mogelijkheid dat je het verkeerd ziet.’ Objectieve journalistiek heet dat. Khader legde geduldig uit dat je weinig hebt aan zulke maatstaven als je zelf een doelwit vormt, vanwege je afkomst.
Objectiviteit is een privilege.
Het is niet mijn doel Luyendijk te schofferen, maar ik wil graag de gevolgen van zijn denken schetsen. Wat is objectiviteit nog, als 70 procent van de slachtoffers in Gaza vrouwen en kinderen zijn? Wat is objectiviteit in het geval van etnische zuiveringen? Welke hoor en wederhoor wil je toepassen op genocide?
Israël heeft in Gaza een volledige maatschappij vernietigd: ziekenhuizen, universiteiten, bibliotheken, scholen, bakkerijen, wegen, moskeeën, kerken, woningen, waterzuiveringsinstallaties en landbouwgrond. Meer dan tweehonderd journalisten, fotografen en mediawerkers zijn gedood, meer dan duizend dokters en verpleegkundigen. Bewust, als doelwit. Stilaan rijst dan de vraag: is dat nobele streven naar objectiviteit niet gewoon een glijmiddel voor misdaden tegen de menselijkheid?
Soms is de werkelijkheid gewoon partijdig, vraagt ze om betrokkenheid in plaats van afstand. Noem het voor mijn part verzet.
Yawm al-Firak gaat evenzeer over de geportretteerden als over ons, de kijkers. De moeders, de zonen: het zijn mensen zoals wij, alleen zonder adem, zonder lucht.
Daarom nog één ding over objectiviteit. Bezetting is bezetting. En verzet is verzet. Je kunt niet je eigen verzet tijdens de Duitse bezetting heldhaftig en noodzakelijk blijven noemen, en bij Palestijns verzet tegen de bezetting van hún land gaan draaien op je stoel en zeggen het ‘ergens wel te begrijpen dat Israël toch iets moet doen – je kunt die verzetsgroepen daar niet laten zitten, toch?’ Gevolgd door de vraag of Israël soms niet in veiligheid mag leven.
Ziedaar je objectiviteit. Een joker, inzetbaar als het je uitkomt.
Luxe. Privilege. Luiheid.
Hoelang gaan wij wat gebeurt in Palestina nog van alle kanten bekijken? Hoelang nog vóór we eindelijk ons oordeel kunnen vellen over wat daar overduidelijk aan de hand is?
Het is tijd om betrokken te raken. Tijd om je uit te spreken, je te verzetten. Doen we dat niet, dan komt het einddoel van de bezetting in zicht en wordt het laatste onderscheid tussen burgers en verzet opgeheven, om een gehele cultuur te kunnen wegvagen.
Ik denk terug aan die torens van zeep in de eeuwenoude fabrieken van Nablus. Zelfreinigende rust.
‘Don’t worry, it is soap – it will clean itself.’
Etnische zuivering vormt het tegendeel van zeep. It is violence – it will fight itself.
Artikel afkomstig uit de Volkskrant.